Verbonden door het woord en de stilte

Hugo de Grote is er niet meer. Nog net in de Boekenweek ruilde de schrijver vrijwillig het tijdelijke voor het eeuwige. Zijn omvangrijke nalatenschap bevat miljoenen woorden. Hij schreef poëzie, proza en toneel en kreeg talrijke literaire prijzen. Toch zag hij zichzelf als dichter pur sang en wil ook als dichter herinnerd worden.  En dat is mooi, want ‘wie schrijft die blijft’ en mijn vrijvertaalde versie is:

De dichter sterft nooit

Claus

Hugo Maurice Julien Claus

Brugge, 5 april 1929 – Antwerpen, 19 maart 2008

De Dichter

Afgelopen zondag ben ik met mijn boekenweekgeschenk gaan reizen per trein.

Het werkt bevrijdend als je zomaar lukraak door het land kan reizen zonder kaartje. De trein is vol, vol van mensen die gelezen hebben dat je deze dag op vertoon van een boekje mag plaatsnemen op een bank in de trein en je je mag laten vervoeren naar waar je maar wilt.  Ik vond een plaats in de Silence wagon. En het was stil.

Het Geschenk werd volop gelezen. Een jong stel nam plaats schuin tegenover mij. Zwijgend haalden zij elk uit een eigen plastic tasje “De pianoman ‘ tevoorschijn en begonnen te lezen. Ik zag hoe zij tegelijk de bladzijden omsloegen. Tot wel vijf keer.  Toen keken zij elkaar aan en lachten.  Bespraken in het kort (zachtjes) hun bevinding tot nu toe.  Bogen hun hoofden weer en lazen verder.

Ik had het boekje al gelezen, wist wat er ging gebeuren met Thomas en het zilvermeisje.

Hoe de kleine Thomas de eerste jaren van zijn leven geen woord sprak. De stilte en de rust van de hoge terp ontvluchtte om er later weer hevig naar te verlangen.

Het gaf een prettige senstatie te beseffen dat de lezende mensen in deze trein die mij volkomen vreemd waren in dezelfde wereld waren als ik. De wereld van Bernlef’s verhaal over de zwijgende Thomas, die later zal begrijpen dat zwijgen zwaarder is dan spreken.

De conducteur kwam binnen. Hij vulde de stilte met: het is maar goed dat het niet elke week boekenweek is mensen, dit kan natuurlijk helemaal niet uit.  En de mensen zwaaiden lachend met hun boekjes naar de man die nog gekscherend opmerkte: ik moet er wel een gaatje inknippen anders is het niet geldig. 

In Amsterdam regende het. Het regende overal die zondag de 16e maart.  Maar ik houd van Amsterdam, ook als het er regent. Stromen mensen in de stromende regen. Ik liet mij meevoeren. De weg die Thomas had gelopen vanaf het station naar de Dam, waar hij het zilvermeisje zou ontmoeten. Er was geen zilvermeisje op de Dam, wel een zilverman, die zich roerloos liet natregenen.

Toen wilde ik weer terug, terug naar huis met de droge warme trein. Twee keer moest ik overstappen.  De trein naar huis zat vol, heel vol. Met de luidruchtigheid van vrolijke mensen die een dagje uit waren geweest. Tot nu toe was het geluk steeds met mij meegereisd. Als door een wonder kon ik steeds weer een comfortabele zitplaats vinden, alsof deze speciaal voor mij was gereserveerd. Ik keek de coupé in, en zag een vrouw zitten, lezende in Het Geschenk. Zij keek op en glimlachte naar mij. Ze wees op de lege plaats tegenover haar, die ik toen pas gewaar werd.

Ik heb het boekje ook, zei ik. Ja, natuurlijk, zei ze. Haar stem klonk prettig. Waar ben je geweest? In Amsterdam, zei ik.  Ik ben bij mijn oude moeder in Zwolle geweest, zei ze. Ze is 95. Ze zegt dat het zo stil is om haar heen.  En dan vertelt de vrouw – wiens naam ik niet weet, omdat wij ons niet aan elkaar hebben voorgesteld, besefte ik later – over hoe moeilijk  de communicatie tussen haar moeder en haar verloopt. De oude vrouw wil niets meer weten wat er in de wereld gebeurt. Hun gesprekken gaan over de mensen die nog leven. De kinderen, kleinkinderen en het eten van het verzorgingshuis. Bij mooi weer (vandaag dus niet) lopen zij samen even de tuin in. En dat is het.

En zij vertelde dat zij evenals ik een zoon en een dochter heeft en ook drie kleinzoons en een kleindochter. En dat haar man vier jaar geleden is overleden.  De wereld daarna er zo anders uitzag, zij hem zo ontzettend mist.  En ik vertelde over mijn scheiding, lang geleden en het nieuwe geluk dat ik nu heb gevonden.

We spraken alsof we elkaar al veel langer kenden. Het geroezemoes om ons heen, maakte dat we het gevoel hadden dat we vrijuit konden praten. Immers niemand luisterde naar ons.

Het was mij zeer aangenaam, zei ik, toen zij de plaats van bestemming had bereikt. Voor mij ook, zei ze.

Om acht uur kwam ik thuis in een zeer stil huis. Mijn lief had een depridag en was de hele dag in bed gebleven. Praten wilde hij niet. Dat lost nu niets op, zei hij.

De volgende ochtend kon hij wel praten, wilde het ook.

Maar we verstonden elkaar woordenloos.

Als dichters die we, behalve geliefden, ook zijn.

Dit bericht werd geplaatst in Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s